Wat doet een gilde?

Bijna alle verenigingen van wijnmakers en bierbrouwers noemen zich ’gilde’. In Engelstalige landen wordt vaak de naam ’circle’ gebruikt: kring.

 

Wat is de betekenis van het woord ’gilde’?

Vroegen waren gilden verenigingen met een bepaald doel. De leden waren meesters, gezellen en leerlingen. Zij waren onderworpen aan gildenbepalingen. Ieder gilde had zijn eigen schutspatroon, banier (vaandel), schatkist, lijkkleed, gildenboek, enzovoort. De eigendommen werden beheerd door de overmeester, ook wel busmeester genoemd. Aan het hoofd van het gilde stond de gildenmeester of ’deken’.

Gilden werden in het leven geroepen om onderlinge concurrentie uit te sluiten. Zo werd door het gilde bepaald hoe lang mocht worden gewerkt, dat er geen andere of nieuwe werkmethodes mochten worden ontwikkeld en toegepast, dat zij slechts één tonen (= winkel) mochten hebben, enzovoort. Slaagde een meester er in een partij goedkope grondstoffen te kopen, dan was hij verplicht om daar de anderen van mee te laten profiteren.

Behalve een economische betekenis hadden de gilden ook duidelijk een gezelligheidsfunctie en een sociale functie. Voor de gezelligheid werden gildenavonden en/of –dagen georganiseerd voor en door de meesters, gezellen en leerlingen. Daarbij werd naar hartenlust gefeest. Overleed een gildenlid, dan verzorgde het gilde meestal de begrafenis in stijl en nam men de zorg voor de nabestaanden op zich.

Zoals gezegd, bestond het gilde uit meesters, gezellen en leerlingen. Meesters waren de ambachtelijke vakmensen. Gezellen waren de arbeiders die een vakopleiding gevolgd hadden en leerlingen waren zij die een vak gingen leren. Wilde men een bepaald vak gaan leren, dan moest men lid worden van het betreffende gilde en bij een meester in dienst gaan. Als bewijs van het lidmaatschap ontving men een penning, de zogenaamde gildenpenning. Een meester mocht niet onbeperkt leerlingen (goedkope arbeidskrachten) in dienst nemen. Vaak was 3 of 4 leerlingen het maximum. Na een dienstverband van 3 - 7 jaren werd de leerling op grond van diensttijd en prestaties gezel. Wilde een gezel zich zelfstandig gaan vestigen, dan moest eerst het ’meesterstuk’ worden gemaakt: een proeve van bekwaamheid. Dat werkstuk werd door de gezamenlijke meesters beoordeeld en indien het een teken was van voldoende vakmanschap, mocht de gezel zich als meester vestigen ergens binnen het werkgebied van het gilde.

 

Hoe werkt het gildenprincipe bij de gilden die aangesloten zijn bij de federatie FAWBG?

Er zijn in Nederland gilden van wijnmakers, bierbrouwers en likeurbereiders die exact volgens de beproefde gildenmethode werken.

Nieuwe leden volgen als leerling een beginners-opleiding bij ervaren gildenleden. Zij maken hierbij thuis hun eerste drankjes en wisselen hun ervaringen uit. De meester staat de leerling bij met raad en daad, lost problemen mee op, enzovoort.

Na deze basisopleiding kan de leerling zelf aan de slag, waarbij zij of hij altijd een beroep kan doen op ter zake kundige mensen binnen het gilde. Het zelf doen is erg belangrijk.

Na enige tijd kan men zich verder verdiepen in de theorie achter het ambacht. Hiervoor is de opleiding tot gevorderde (gezel) in het leven geroepen. Door het vervaardigen van een opdrachtstuk en een theorie-examen kan deze fase worden afgesloten.

De meest diepgaande theorie en praktijk is weggelegd voor degenen die (keur)meester willen worden. Zij moeten echt alle ins- en outs van het vak beheersen en aantonen.